Het Zwaard van de Noorderwind
De wind joeg schuimkoppen over de donkere zee toen het lange schip Zeearend door de golven sneed. Aan boord stond Eirik, zoon van Haldor, met zijn handen stevig om de houten reling geklemd. Hij was pas zestien winters oud, en dit was zijn eerste reis buiten de fjorden van Noorwegen.
Achter hem zongen de mannen oude liederen over Odin en Thor, terwijl het ritme van de riemen klonk als een hartslag. De drakenkop aan de boeg staarde dreigend vooruit, bedoeld om boze geesten en bange vijanden af te schrikken.
Hun doel was de kust van Northumbria, waar rijke kloosters lagen. Sinds het jaar 793, toen Lindisfarne werd geplunderd, wisten de Vikingen dat het zuiden vol zilver was.
Toen de zon opkwam, doemde het land op. Lage heuvels, groene weiden – en een eenzaam klooster bij de rivier. De mannen grepen hun schilden. Eirik voelde zijn hart bonzen. Hij dacht aan zijn moeder, die hem een leren amulet had meegegeven, gezegend door de godi.
Maar toen ze aan land gingen, zag Eirik iets onverwachts. Geen bewapende monniken, geen vluchtende boeren. Alleen rook, en verbrande houten balken. Het klooster was al geplunderd.
“Te laat,” gromde zijn vader.
Plotseling klonk er geroep. Saksische krijgers verschenen tussen de bomen. De strijd barstte los. Schilden klapten tegen elkaar, bijlen sloegen in hout en vlees. Eirik voelde angst, maar ook vastberadenheid. Hij trok zijn zwaard — een eenvoudig wapen, maar gesmeed door zijn oom — en verdedigde zich.
Toen de strijd voorbij was, lagen er mannen aan beide kanten op de grond. De Saksen trokken zich terug. De Vikingen hadden gewonnen, maar zonder buit.
Die avond zat Eirik bij het vuur. Zijn vader legde een hand op zijn schouder.
“Vandaag ben je geen jongen meer,” zei hij. “Je hebt de storm doorstaan.”
Eirik keek naar de sterren boven de zee. Hij wist dat hij verhalen zou meenemen naar huis — verhalen over strijd, verlies en eer. En ergens, zo hoopte hij, zouden de goden zijn naam onthouden.